Het orkest in het classicisme (ca. 1750-ca.1800).

In het klassieke orkest, verdwijnt het toetsinstrument. Vooral bij begeleiding van recitatieven in opera's e.d. zal het echter nog lang in gebruik blijven.
De taak van het toetsinstrument, nl. het opvullen van de samenklank, wordt gedeeltelijk overgenomen door de blazers: hobo's en hoorns, die vaak lange noten moeten spelen, en maar weinig melodische figuren. Later krijgen met name de houtblazers een steeds belangrijker melodische functie (Mozart, pianoconcerten!).
Kenmerkend voor de klassieke schrijfwijze voor orkest is het verdelen van een melodie over verschillende timbres (instrumenten) (Mozart, Beethoven).

Nieuwe instrumenten in deze periode zijn de klarinet en de combinatie van triangel, bekkens en grote trom. De klarinet werd in de loop van de 18e eeuw een instrument dat geschikt was voor de kunstmuziek. Aanvankelijk werden klarinetten door hoboïsten bespeeld, zodat in partituren òf hobo's òf klarinetten staan voorgeschreven. Langzamerhand verwierf de klarinet zich een eigen plaats in het orkest, het eerst in de opera-orkesten. De invoering van triangel, bekkens en grote trom houdt verband met een Turkse mode in de muziek, die bijv. blijkt uit Mozarts opera "Die Entführung aus dem Serail". VoorbeeIden van het slagwerk in het symfonieorkest zijn Haydns Symfonie no.100, en Beethovens Negende.

De bezetting van een typisch klassiek orkest is:

  • "2-voudig hout", d.w.z. 2 fluiten, 2 hobo's, later ook 2 klarinetten,
  • 2 fagotten
  • 2 hoorns (later 4); N.B. I en III spelen hoge tonen, II en IV lage; hoornisten waren altijd in één register gespecialiseerd;
  • 2 trompetten (altijd gecombineerd met pauken);
  • 3 trombones,(soms ook 2), vooral in opera's;
  • 2 pauken (altijd gecombineerd met trompetten);
  • slagwerk: bekkens (cinelli), triangel, grote trom (altijd deze combinatie)
  • strijkers: 1e en 2e violen, altviolen, celli en contrabassen.
Klassieke orkesten waren over het algemeen niet groot. Beethovens 3e symfonie, de Eroïca, is bij de première gespeeld door een orkest, van ca. 30 musici. Het beroemdste orkest van de 2e helft van de 18e eeuw was dat van de keurvorst van Mannheim (tot 1778). De strijkersbezetting hiervan was: 12 1e violen, 10 2e violen, 4 altalten, 4 celli en 2 contrabassen; voor die tijd was dit een zeer grote bezetting. Hierdoor waren grote dynamische verschillen mogelijk, met name ook een enorm crescendo. Het "Mannheimer crescendo werd dadan ook alom geroemd en nagevolgd. Het Mannheimer orkest daarnaast vermaard om zijn discipline: gelijke en exacte voordracht, geliijke stokvoering (op-en afstreken).
Zeer incidenteel werden bij bijzondere gelegenheden orkesten van 80 of meer musici gevormd die diepe indruk maakten. De componisten dachten echter in wezen altijd voor kleine bezettingen.