Jazzgeschiedenis les 8
Het Big Band-tijdperk duurde tot ongeveer 1945 en werd toen afgelost door de nieuwe stroming; de Be Bop. Vanaf 1940 wedijverden beide muziekstijlen met elkaar. Veel Big bands konden door de tanende publiciteit als gevolg van de aandachtsverlegging van het grote publiek, geen bestaansrecht meer vinden. Ook werd er tijdens de oorlog 20%-amusementsbelasting geheven. Enkel de Basie-Band en het orkest van Duke Ellington konden, zij het met moeite en in uitgedunde versie, hun hoofd boven water houden.
De Bopmuzikanten groeiden op in een tijd dat steeds meer zwarten belangrijke rollen gingen spelen in de hogere kunsten. In de tijd dat Armstrong en Morton opgroeiden bestond dit besef er beslist nog niet; de meeste blanke Amerikanen waren ervan overtuigd dat de zwarten mentaal en sociaal inferieur waren aan de blanken. Door de veranderde situatie begonnen de zwarten steeds meer voor zichzelf op te komen. Zeker het feit dat juist de blanke rijk werd aan de van oorsprong zwarte muziek, terwijl de zwarte uitgesloten werd van blanke orkesten en deze geen toegang werd verleend tot de clubs, zette veel kwaad bloed. Door het groeiend zelfbesef van de zwarte muzikanten zochten zij naar een muziekvorm die aansloot bij hun afkomst en waarin zij deze weer optimaal konden uiten om zodoende een zelfbevestiging te kunnen bewerkstelligen. Een oplossing werd gevonden middels de BeBop-muziek.
In eerste instantie was deze nieuwe muziek zodanig geconstrueerd dat gebruik werd gemaakt van te hoge of te lage tempi om de muziek ondansbaar te houden, om de blanke commercie buiten de deur gehouden. De Bopmuzikanten deden alle mogelijke moeite om zich te onderscheiden van de blanke Jazzmuzikanten. Ze droegen een hoornen bril, een sjaal en een pet, en hadden een apart taalgebruik. Middels de BeBop-muziek werd volop aandacht geschonken aan de improvisatie naast complexe ritmieken -onderdelen van de Afrikaanse erfenis- en complexe harmonieën; het motto was “Back to the African Roots”.
De ontwikkeling van de BeBop, zette zich rond 1940 in d.m.v. nachtelijke Jamsessions in Minton's Playhouse en Monroe's Uptown House. Na hun jobs in amusementsorkesten gingen de zwarte muzikanten tot in de vroege ochtend jammen. De manager Teddy Hill van de club Minton's Playhouse vroeg drummer Kenny Clarke zorg te dragen voor een huisorkest. Dit werd geformeerd en bestond naast Clarke uit pianist Thelonious Monk, bassist Nick Fenton en trompettist Joe Guy.
De trompetvirtuoos John Birks “Dizzy” Gillespie (1917-1993) begon deze club al gauw te frequenteren. Spoedig troffen veel Jazzgrootheden hier samen om te jammen; mensen als Coleman Hawkins, Chu Berry, Roy Eldridge, Ben Webster en Lester Young. Deze laatste zou de toon gaan zetten voor het moderne tenorsaxgeluid.; lichter dan die van Coleman Hawkins en met minder vibrato. In 1941 hoorden Monk en Clarke verhalen over een altist, een autodidact, Charlie Parker genaamd, die regelmatig speelde in Clarke Monroe's Uptown House en die waanzinnig snel en goed kon improviseren. Charlie “Bird” Parker (1920-1955) was al veel verder in de typische muziekbenadering en vond snel aansluiting bij de muzikanten van Minton's Playhouse.
Gitarist Charlie Christian (1919-1942) experimenteerde als één van de eerste met “nieuwe” akkoorden. Reeds bij Benny Goodman paste Christian dim-akkoorden toe, maar nog niet het halfverminderde akkoord. Dmi6 is volgens Amerikanen: b-d-f-a ( Bmi7,-5 ofwel sekst in de bas ); willen ze de tonica in de bas horen dan wordt deze onderstreept: Dmi6. Een ander kenmerk van de Bop werd het gebruik van akkoordsubstituties en -uitbreidingen.
De grootste bijdrage van de Bop is vooral de ritmische vernieuwing. De verlegging van de puls van de zware Bassdrum naar het lichterklinkende Ride-cymbal was een duidelijke vernieuwing, maar wel een die ingebed lag in een bredere trend. Stap voor stap werd de klank van de totale Jazzband lichter. De tuba en banjo werden vervangen door de contrabas en de gitaar. De puls van de bassdrum werd vervangen door die van de hi-hat ( Jo Jones, Walter Johnson ) en vervolgens door die van het Ride-bekken ( Jo Jones, Kenny Clarke ). Door de Bop-ontwikkeling is een grotere rol voor de bassist ontstaan. De bassist geeft nu als enige continu de grondnoten van het schema aan en heeft tevens de puls van de bassdrum uit het Swing-tijdperk overgenomen. Jimmy “The Bear” Blanton had de weg hiervoor reeds geplaveid door melodielijnen op de bas te introduceren. Naast het spelen van Originals werden bij de BeBop Standards als uitgangspunt genomen waarbij nieuwe geïmproviseerde melodielijnen als nieuwe thema’s werden vastgelegd en de akkoorden werden vervangen c.q. uitgebreid.
Hoe de Bop-evolutie in detail is verlopen is moeilijk te zeggen, daar in Augustus 1942 'The American Federation of Musicians' de platenmaatschappijen boycotte en er niets werd opgenomen. Het geschil ging over uitbetaling van royalties. Deze boycot verviel gedeeltelijk in de herfst van 1943, maar pas op het einde van 1944 werden de contacten met de grote maatschappijen hersteld. De eerste echte BeBop-platen werden in Februari en Mei 1945 gemaakt door Parker, Gillespie, Cozy Cole, bassist Slam Stewart ( soli veelal gestreken én gezongen ), gitarist Remo Palmieri en pianist Clyde Hart.
Als gevolg van heroïnegebruik werd Parker in 1946 gearresteerd en naar het opvanginstituut Camarillo gestuurd. In 1946 was zijn gezondheid weer hersteld en werd hij uit het instituut ontslagen, waarna hij enkele schitterende opnames maakte. Teruggekeerd in New York in 1947, formeerde hij het Charlie Parker Quintet. Gillespie had reeds genoeg gekregen van Parker en Parker nam de jonge trompettist Miles Davis onder zijn hoede, die hiervoor ook al wat opnamen met Parker had gemaakt. Miles speelde met minder techniek en virtuositeit dan Gillespie en met een kleiner bereik. Maar wel met veel gevoel voor lyriek. Dit was Parkers beste jaar, maar inmiddels was hij weer in ernstige mate verslaafd aan drugs en alcohol. Veelal was hij te laat bij de gigs of kwam hij in het geheel niet opdagen. Hiernaast was hij uiterst onvriendelijk tegen zijn medemuzikanten en clubeigenaren.
In maart 1955 stierf Parker in het appartement van de beschermvrouwe van de Jazz, barones Pannonica de Koenigswater. Op zijn overlijdenscertificaat had de dokter de leeftijd op 53 jaar geschat; Parker was echter 34. Ondanks zijn reputatie en invloed op nagenoeg alle Jazzmuzikanten na hem, zijn er relatief weinig opnamen van Parker. Zijn top had hij in de periode 1945 tot aan 1948, alhoewel een van zijn laatste concerten, in de Massey Hall in Toronto in 1953, geen muziek van een lager niveau voortbracht.
Vanaf 1948 kwam de Langspeelplaat (Lp) op de markt en waren de muzikanten bij opnames niet meer gebonden aan de drie minuten-opnametijd. Nu werd de mogelijkheid geboden om soli uit te bouwen en ook live-situaties, bestaande uit uitgesponnen soli, konden nu in de studio nagebootst worden. Het waren vooral de jonge Boppers die gebruik gingen maken van de Lp. Vanaf ongeveer 1949 werd ontdekt dat met behulp van twee gescheiden geluidskanalen een ruimtelijk sound verkregen kon worden die lijkt op de live-situatie en was de stereo-opname en weergave een feit. Stereo-Lp’s verschenen vanaf 1958.