Menu

Jazzgeschiedenis les 6

In sociaal opzicht waren de zwarte mensen gescheiden van de blanke mensen. Dit sociale isolement is de reden dat de blan­ken een eigen Jazztraditie begonnen op te bouwen. Gemengde bands kwamen nog niet voor; hierop beruste nog een taboe. Deson­danks kan men niet spreken van typisch blanke en zwarte Jazz; de overeenkomsten zijn veelvuldiger dan de verschillen. Blanke Jazzmuzikanten speelden niet veel Blues, daar de Blues veelal niet het juiste danstempo bezat ; in de ogen van de blanke liefhebbers !

Over het algemeen kan men stellen dat de impro­visatie van de blanke muzikant veel meer gebonden was aan de 'beat', terwijl de zwarte muzikant hier vrijer overheen speelde.

Tijdens het Chicago-tijdperk begint de platenindustrie tot bloei te komen; in 1926 is de verkoop reeds gestegen tot 151 miljoen grammo­foonplaten. Als gevolg van de crisis van oktober 1929 ( The Great Depression; beurs­krach van 1929 tot 1934 ) houdt de Chicago-Jazz op te bestaan. Waarschijnlijk omdat de mensen, die financieel zwaar getroffen zijn, groter vertier zoeken om hun misère te vergeten. Nu komen dan ook de grote Hollywood-musicals naar voren en spektakelfilms als 'King Kong', en dient de Big Band-Era zich aan. Het grote publiek wil nu dromerige, sentimentele musicalachtige muziek ( zie de dans-musicals van Ginger Rogers en Fred Astaire ). In dit geestelijk klimaat verwerft o.a. de Sweet Music-band van Paul Whiteman grote faam.

De Amerikanen behandelden vooral Joodse immigranten erg ruw; zij kregen slechts een iets betere behandeling dan de zwarten. De muzikanten die in Tin Pan Alley ( hét New Yorkse centrum van de muziekuitgeverij ) vaak hun eigen liedjes plugden waren vaak een samenraapsel van geschoolde en ongeschoolde, veelal Oost-Europese immigranten. Het waren dus eigenlijk de Europeanen die de V.S. de populaire songcultuur brachten. Veel van de nieuwe blanke muzikanten konden totaal niet notenlezen. De hits werden dag en nacht gemaakt op valse piano’s in kleine straatjes en al deze valse klanken tezamen gaf het geluid van het slaan op tinnen pannen (vandaar de naam ). In Tin Pan Alley werd de songbusiness omgeturnd in big business. Er waren ‘staff arrangers’ aanwezig om arrangementen te verzorgen voor elke denkbare muzikale combinatie. Veel Amerikaanse componisten van naam, waaronder George Gershwin, zijn begonnen in Tan Pan Alley als Songplugger. Daarbij werd voor een potentiële klant een net uitgebrachte song op de piano ten gehore gebracht en kon de klant de sheet-music hiervan kopen. De grammofoonspeler was nog geen gemeengoed onder muziek-liefhebbers in de eerste decennia van de 20e eeuw, maar deze hadden vaak wel een piano of pianola in huis.

Toen Amerika deel ging nemen aan de Eerste Wereldoorlog (1918) beleefde Tin Pan Alley zijn beste tijd. De oorlog leek wel één grote Vaudevilleshow; er werden meer liedjes dan ooit geschreven en zelfs meer dan nadien. In 1917 werden meer dan twee miljoen exemplaren verkocht van popliedjes op papier ( pop sheet music ). Toen de sprekende film vanaf 1927 opkwam met als eerste muziekfilm “The Jazz Singer” ( zang van Bing Crosby ) verlegde Tin Pan Alley de aandacht naar de westkust van de Verenigde Staten, naar Hollywood { Los Angeles }, alwaar veel van de Tin Pan Alley-componisten voor de filmindustrie gingen werken. Hollywood zelf kreeg al gauw het meeste van de populaire muziek in eigen beheer door het beste van de Alley-bedrijven op te kopen.

Maar door het verdubbelen van de kosten van de uitzendrechten met het doel om radio-uitzendingen in te dammen beging de door Hollywood gecontroleerde bond van musici een capitale blunder. De radiobedrijven gingen over tot hun eigen organisatie, BMI ( Broadcast Music Incorporated ), waarbij bedrijven in Chicago werden benaderd die contacten hadden gelegd met artiesten in het zuiden. Voor de eerste maal konden artiesten ( Hillbillies uit het zuiden en zwarten ), middels uitgebrachte opnamen, wat verdienen aan hun muziek terwijl ze nooit de kans hadden gekregen om in de grote shows op te treden. Hierdoor werd de Tin Pan Alley-monopolie doorbroken en was deze geen lang leven meer beschoren.

Vijf componisten van musicals en filmsongs begonnen grote naam te maken en werden weldra bekend onder de titel The Big Five. Deze zijn: George Gershwin, Irving Berlin, Cole Porter, Jerome Kern en Richard Rodgers. Tevens zijn dit de beroemde Musical-componisten waar de Jazzgrootheden een deel van hun repertoire aan ontleenden.

Irving Berlin (1888-1989) is eveneens begonnen als Songplugger, na zijn kost verdiend te hebben als straatzanger en zingende ober. In totaal schreef hij zo’n 1500 songs; niet gek voor iemand die geen noot kon lezen en enkel in Fis op de piano kon spelen. Zijn beroemdste nummers zijn: ‘There’s no Business Like Showbusiness’ en ‘I’m Dreaming of a White Christmas’. Ook Amerika’s tweede volkslied ( ‘God Bless America’ ) is van zijn hand.

Berlin speelde veelal in Fis en om in een andere toonsoort te kunnen spelen liet hij een mechanisch-transponeerbare piano bouwen.

Cole Porter (1891-1958) heeft nooit voor Tin Pan Alley gewerkt, te danken aan zijn afkomst uit een welgestelde familie. Zijn eerste successen had hij in 1929 met liedjes met een dubbele bodem -ook de tekst schreef hij veelal zelf- zoals ‘Let’s Do It {Let’s Fall In Love}’ , ‘Night and Day’ en ‘I Get A Kick Out Of You’. Op Porter na gingen de liedjeschrijvers in Hollywood voor de filmindustrie werken. Richard Rodgers is degene die “The Sound Of Music” (1959) heeft geschreven. Negentig procent van de tophits uit de jaren dertig en vroege veertig waren afkomstig van muzikale films. Veel musicalnummers én liedjes uit dansfilms werden “verjazzt” en later tot ‘standards’ betiteld. Originele composities, niet uit musicals afkomstig, worden ‘Originals’ genoemd.

Voorbeelden van bekende Standards:

‘What This Thing Called Love’ van Cole Porter uit de musical “Wake Up And Dream”(1929),Love For Sale’ van Cole Porter uit “The New Yorkers” (1930), ‘Someone To Watch Over Me’ van George Gershwin uit “Oh, Kay!” (1926), ‘Just One of Those Things’ van Cole Porter uit “Jubilee”(1935), ‘Cheek To Cheek’ van Irving Berlin uit “Top Hat” (1935), ‘All The Things You Are’ van Jerome Kern uit “Very Warm For May” (1939), ‘My Funny Valentine’ van Richard Rodgers uit “Babes in Arms” (1937) en ‘Spring Is Here’ van Richard Rodgers uit “I Married An Angel” (1938).

RHYTHM CHANGES (Rhythm-schema):

'I Got Rhythm' werd door Gershwin geschreven voor een van zijn musicals, namelijk ‘Girl Crazy’ uit 1930, op tekst van zijn broer Ira Gershwin. Dit specifieke akkoordenschema (AABA; 32-matig) werd gaandeweg 'Rhythm Changes' (“Rhythmschema”) genoemd, verwijzend naar het nummer 'I Got Rhythm' van Gershwin. Dit schema is vele malen toegepast als basis voor nieuwe Jazznummers. Voorbeelden zijn ‘Anthropology’ van Charlie Parker, ‘Salt Peanuts’ van Dizzy Gillespie en 'Oleo' van saxofonist Sonny Rollins, maar ook de titelmuziek van The Flintstones en The Muppetshow.