Jazzgeschiedenis les 4
De Free Jazz kenmerkt zich door afstand doen van akkoorden en schema’s, van constant tempo en van vaste ritmische begeleiding. De improvisatie staat voorop; niet op akkoord-progressies ( zoals bij de Bop ); ook niet op toonladders ( zoals bij modale Jazz ), maar vrije expressie voert de boventoon, waarbij ook de klankkleuren en de menging van de instrumentklank belangrijk is. Het is geen atonale muziek { à la Schönberg } daar meestal wel degelijk sprake is van een tooncentrum. Veelal is het zeer energische muziek bestaande uit een veelvoud van fragmenten. In feite is de collectieve improvisatie van de New Orleans Jazz weer terug, maar nu in daadwerkelijke vorm ( bij New Orleans en Chicago Jazz werd geafficheerd met de omschrijving -collectieve improvisatie-, maar was eigenlijk louter de drummer degene die echt improviseerde ). Een duidelijke vertegenwoordiger van de Free Jazz ( ook wel toentertijd New Wave genoemd ) is onmiskenbaar altsaxofonist (en trompettist) Ornette Coleman, die in 1961 de plaat ‘Free Jazz’ opnam ( terwijl zijn plaat ‘Something Else’ uit 1958 al op de vrije Jazz vooruit wees ) met een dubbelkwartet bestaande uit 2 drums, 2 bassen ( double ‘double bass’ ), 2 saxen en 2 trompetten; geen piano omdat deze “de vrijheid zou beknotten”, aldus Coleman zelf. Heftige kritiek werd zijn deel en om dit te kunnen pareren heeft hij een theorie over zijn manier van vrije Jazz spelen in het leven geroepen dat hij ‘harmolodics’ noemde, maar die niemand echt begrijpt. Ondanks de kritiek heeft hij doorgezet en is uiteindelijk in de tachtiger jaren vrije Jazz gaan spelen met elektrische gitaren, basgitaren, Rock- en elektronische drums en met effectapparatuur op de sax onder de noemer Free Funk.
In Europa heeft de Free Jazz van de zestiger jaren grote invloed uitgeoefend, maar daar de Europese muzikanten ook nog hun eigen volksmuziek en een deel modern-klassieke muziek aan het geheel toevoegden, is de Europese vrije Jazz te boek komen te staan als Actuele Geïmproviseerde Muziek. In Nederland heeft men de Instant Composers Pool (ICP) van pianist Mischa Mengelberg en drummer Han Bennink, dat geen enkel experiment uit de weg gaat.
Door de opkomst van de Rockmuziek en onder invloed van gitaristen als Jimi Hendrix kwam gaandeweg de JazzRock (RockJazz) naar voren. Hierbij worden nummers met duidelijke Jazzharmonieën ondersteunt door stevige strakke Rockritmes van drums en bas. Iemand die als innovator aan de voet heeft gestaan van deze ontwikkeling was trompettist Miles Davis. Niet dat hij deze stijl “uitgevonden” heeft, maar hij had wel eerder geëxperimenteerd met modale Jazz en bracht wel de juiste mensen bij elkaar om deze nieuwe vorm gestalte te geven ( tevens onder druk van de grote platen-maatschappijen om met Jazz -net als met Rockmuziek- een breder publiek te kunnen bereiken ). En met succes: de dubbel-LP ‘Bitches Brew’ van Davis uit 1969 ( uitgekomen in de maand van het grote Woodstock-concert ) ging in één jaar tijd een half miljoen maal over de toonbank. Wie nu echt begonnen is met de JazzRock is niet zeker: Was het drummer Billy Cobham met zijn groep Dreams ( met hierin de Breckers Brothers )? Of waren het de Engelse groepen Soft Machine en Nucleus? Of wellicht het Amerikaanse Blood, Sweat & Tears ?
Een goede vertegenwoordiger van de JazzRock is naast Miles Davis ook de groep Weather Report van saxofonist Wayne Shorter en keyboardspeler Joe Zawinul en de groep Return To Forever rond pianist Chick Corea ( niet voor niets drie muzikanten uit de “stal” van Miles Davis ).
De later ontstane Fusion kan men beschouwen als een meer commerciële vorm van JazzRock waarbij zo nu en dan ook Funk– en Latin-invloeden te horen zijn. Vertegenwoordigers van deze stijl zijn onder andere: Spyro Gyra, Yellow Jackets, altist David Sanborn, pianist Bob James, trompettist Chuck Mangione, gitaristen Lee Ritenour en Pat Metheny, de Brecker Brothers ( trompettist Randy Brecker en tenorist Michael Brecker ) en Steps Ahead.
Nu we, in ons muzikale overzicht, bij de negentiger jaren zijn gearriveerd is het moeilijker om overzicht op stijlontwikkeling te houden, daar het nog te kort dag is om de effecten op nieuwe muziekstromingen te kunnen overzien. Wel spreken we inmiddels van Neo-Bop, Retro-Jazz en Neo-Jazz. Niet erg duidelijke termen die een breed scala aan totaal verschillende muzikanten en stijlen omvatten. Neo-Bop is de muziek die trompettist Wynton Marsalis in de tachtiger jaren speelde met zijn kwartet en waarmee de Lp’s ‘Standards’ opgenomen werden. Hierop wordt virtuoos gesoleerd en ook de arrangementen kenmerken zich door veel spitsvondigheden ( abrupte tempowisselingen en dergelijke ). Inmiddels is Wynton Marsalis al geruime tijd verbonden aan het befaamde Lincoln Center in New York City alwaar hij de New Orleans Jazz en de muziek van o.a. Duke Ellington nauwgezet onderzoekt en ook daadwerkelijk “naspeelt” in verscheidene samenstellingen. Neo-Jazz omvat alle groepen die spelen in de typische personele bezetting van de Jazz ( solist(en) met ritmesectie ) die voortborduren op de verworvenheden van honderd jaar Jazz en ook in enige mate vernieuwend zijn. Zoals de groep met Pat Metheny en Michael Brecker ( met Hammondorgel en drums ), de groepen rond gitarist John Scofield en die rond saxofonist Steve Coleman ( niet te verwarren met Ornette Coleman ) die zeer mathematisch te werk gaan en op daadwerkelijk vreemde maatsoorten uitkomen door gebruik te maken van wiskundige reeksen, waarbij de intellectuele stroming van de Cool Jazz weer nieuw leven wordt ingeblazen.
Men kan tegenwoordig wel vaststellen dat de scheidslijn tussen Jazz en Rock (c.q. Pop) steeds moeilijker te trekken valt. Illustratief hierbij is het veelvoud aan groepen uit beide “kampen’ die de afgelopen tien jaar hun werk voor het voetlicht hebben gebracht tijdens het North Sea Jazz Festival in Den Haag, het grootste “Jazzfestival” van Europa, dat inmiddels is verhuisd naar Ahoy in Rotterdam.