Hoofdstuk 3: Tussen de oorlogen

3.1 neoclassicisme in Frankrijk en Duitsland

De eerste jaren na de Eerste Wereldoorlog waren een periode van welvaart. Nieuwe industrieën zoals de auto-industrie, de entertainment-industrie en die voor huishoudelijke apparaten bloeiden op. De moderne, stadse levensstijl was helder, beknopt en objectief. Gebruiksvoorwerpen werden kunstobjecten (Bauhaus) en er was abstracte, eenvoudige kunst door de schilders van De Stijl (Mondriaan). Maar ook de bloeiperiode van de jazz (dansmuziek).
Het was het begin van het tijdperk van de ironische distantie, weg van het (Duitse) romantische subjectivisme. Ironische distantie betekent ook minder menselijk inlevingsvermogen, vandaar de fascinatie voor machines (in het futurisme, maar ook bij de opkomst van het fascisme). Muzikaal gesproken minder espressivo of rubato (ontdekking van de Barokmuziek, gespeeld in naaimachinestijl).

Frankrijk
Neoclassicisme: het gebruik van oudere vormen (klassieke sonate of barok contrapunt) om nieuwe muziek mee te maken (met nieuwe vormen van tonaliteit). In ruimere zin: anti-elitaire, sobere, heldere en toegankelijke muziek. Muziek als spel in plaats van muziek als taal.

Muziekvoorbeeld: Igor Stravinsky (1882-1971) - Concerto for Piano and Wind Instruments (1924)

Componisten van kunstmuziek waren net zo geïnteresseerd in jazz als jazz musici waren in nieuwe kunstmuziek. Voorbeelden: Ravel die een verfijnde Blues schreef in zijn Vioolsonate (1928) of Bix Beiderbecke die impressionistische harmonieën gebruikte in In a Mist (1927), Milhaud die een jazzfuga schreef in La création du Monde (1923) of Gershwin die een klassiek pianoconcert in jazzstijl schreef met Rhapsody in Blue (1924).

Muziekvoorbeeld: Maurice Ravel (1875-1935) -uit Vioolsonate: Blues (1927)

Duitsland
Jonge componisten zetten zich af tegen Schönbergs opvatting over de autonomie van muziek. In hun ogen moest muziek een sociale toepasbaarheid hebben: muziek te spelen door amateurs en te beluisteren door niet-specialisten (Gebrauchsmusik). Hindemith was berucht door het gebruik van populaire wijsjes in zijn muziek. Weill werd zo succesvol met zijn muziek voor toneelstukken van Brecht, dat hij door critici werd beschuldigd van populisme.

Muziekvoorbeeld: Kurt Weill (1900-1950) -Uit Happy End: Surabaya Johnny (1929)

Schönbergs formalisatie van de vrij-atonale stijl van voor de Eerste Wereldoorlog naar de twaalftoonsmethode kan ook worden gezien als zijn antwoord op het neoclassicisme. In zijn ogen was het neoclassicisme een breuk met de traditie die hij juist hoopte voort te zetten.
Na de beurskrach van 1929 was er minder optimisme en waren er restauratieve tendensen. Het opkomende fascisme en communisme in Europa (Duitsland, Italië, Spanje, Rusland) versterkte dit door een onderdrukkende cultuurpolitiek waardoor veel kunstenaars vluchtten naar de Verenigde Staten (of een dubbelleven leidden, zoals Sjostakovitsj: innere Emigration).

 


terug naar menu | volgende