Jazzgeschiedenis les 2
De Blues kwam pas op na de afschaffing van de slavernij ( per decreet in 1863, feitelijk in 1865 bij de beëindiging van de Amerikaanse Burgeroorlog {1861-1865} ) toen de situatie van de gewezen slaaf hopeloos was in het door de Burgeroorlog platgebrande zuiden van de Verenigde Staten. Nu kon de vrije slaaf immers ontslagen worden voor zover nog werk gevonden kon worden.
De eerste blues was de Country Blues ( ook wel Rural Blues genaamd ) die nog niet de latere twaalfmatige structuur had en nog niet de uitkristallisering in het gebruik van de harmonieën van de eerste, vierde en vijfde trap. Hierna kwam de Urban Blues ( daar meerdere mensen in de steden gingen wonen ten gevolge van de industrialisatie ), naast de “Vaudeville Blues”, dit was de blues die bij de Vaudeville-shows ten gehore werd gebracht; een product van de minstrelshows, waarbij de vocale blues verzoend werd met de voornamelijk instrumentale blues van New Orleans ( Vaudeville was een gevarieerde show; dieren- en goochelacts werden hierbij afgewisseld met korte liedjes en sketches ).
Het was eigenlijk de fonograaf, de uitvinding van Edison uit 1877, die de verschillende Blues-stijlen met elkaar verbond. De later geformeerde platenmaatschappijen begrepen de boodschap maar al te goed en zij begonnen nagenoeg iedere zwarte cabaretartiest onder contract te brengen. Ma Rainey (1886-1939) was zo’n (Vaudeville-) artiest en de warmte van haar songs gaven deze zangeres haar bijnaam, naast het feit dat zij jonge beginnende zangeressen met raad en daad bij stond. Eén van haar protégees was zangeres Bessie Smith (1894-1937).
De snelle pianostijl uit het zuiden vond de oorsprong direct van de ritmiek van de treinstellen en de benaming van de spontane bijeenkomsten van zuidelijke migranten; ‘boogie-woogie’. Deze stijl was de “uitvinding” van Pinetop Smith ( eerste opname in 1928).
Een belangrijke erfenis van de Afrikaanse muziek is de benadrukking van het dansbare in de muziek. Zo werd volop gedanst rond 1900 en danswedstrijden kwamen veelvuldig voor ( de “Cake Walk” was een dans op Ragtimemuziek voor paren waarbij de winnaars een cake als beloning kregen ).
Bekende Rags voor piano werden geschreven door de zwarte componist Scott Joplin {1868-1917} ( bijvoorbeeld zijn Maple Leave Rag en het overbekende The Entertainer ). Aangezien de Rag bestaat uit genoteerde ( niet-geïmproviseerde ) pianomuziek is dit geen echte Jazz te noemen, maar is het desalniettemin één van de vormen waaruit de latere Jazz is ontstaan.
De eerste echte Jazz ontstond rond 1900 in New Orleans en was rond 1925 uitgekristalliseerd tot de New Orleans Jazz. De viool dubbelde in eerste instantie met de cornet en was toegevoegd omdat violisten veelal betere lezers waren en zodoende sneller nummers in zich op konden nemen en deze dan weer konden voorspelen aan de rest van de band.
In eerste instantie werd door de blanken gedacht dat de echte Jazz enkel gemaakt werd door blanke en de Blues door zwarte muzikanten. De eerste opname in New York in 1917 door de blanke Jazzgroep Original Dixieland Jass Band was hier debet aan. Maar al gauw kwam men erachter dat de echte New Orleans Jazz bij de zwarte bands gezocht moest worden.
Door een insectenplaag ( Boll Weevil ofwel de katoenkever ) op de katoenplantages rond New Orleans , door de industrialisatie in de noordelijke steden en het feit dat de zwarten niet gevrijwaard waren van de dienstplicht ( de V.S. namen ook deel aan de Eerste Wereldoorlog { 1914-1918 }) kwam een migratie naar het noorden van muzikanten op gang en geleidelijk verspreidde de echte Jazz zich via Chicago tot aan New York. Het feit dat de rosse buurt, Storyville, op last van de marine gesloten werd wegens herhaaldelijke hevige onlusten heeft niets te maken met de migratie van de muzikanten naar het noorden, daar in deze wijk van New Orleans louter pianisten (‘professors’) werkzaam waren.
Er bestond in New Orleans wel een wijk waar de zwarte bands actief waren, maar deze is door bovenstaande reden langzaam verdwenen.
Een van de eerste New Orleans Bands was King Oliver’s Creole Jazz Band met naast Joe Oliver, Louis “Satchmo” Armstrong {1901-1971} ( “Satchelmouth”: een mond zo groot als een tas ) op cornet. Louis Armstrong heeft met zijn Hot Five en Hot Seven in de periode 1926-1928 in Chicago studio-opnamen gemaakt die de New Orleans Jazz vervolmaakt hebben, samen met goede muzikanten als pianist Earl ‘Fatha’ Hines en drummer Zutty Singleton.
Armstrong is ook degene geweest die als eerste een echte trompetsolo speelde en zelfs een klassiek geworden trompet-intro ( West End Blues ). Voorheen werd ( zogenaamd ) collectief geïmproviseerd, maar in feite stond alles vast. De cornetten omspeelden het melodische thema, de klarinet vulde de ontstane gaten en de trombone droeg zorg voor een soort baslijnen. Feitelijk was slechts de drummer degene die echt improviseerde. Hoe deze echter bij live-optredens speelde is niet duidelijk daar tot aan 1928 de drummer slechts zacht kon spelen bij studio-opnamen daar anders de snijbeitel van de wastafel zou kunnen schieten en de opname opnieuw gestart zou moeten worden. Meestal speelde hij enkel op woodblock en bekkens en zelden op een bassdrum. Door de verbeterde microfoontechniek vanaf 1928 kon wel harder gespeeld worden. Doordat de opnametijd slechts zo’n drie minuten besloeg werden in de studio vaak hogere tempi van de nummers toegepast dan bij live-optredens.
Blanke studenten in Chicago kwamen sterk onder de invloed van de zwarte New Orleans Jazz en enkele onder hen gingen zelfs zo ver dat ze beslist geen noten wilde leren lezen om authentiek zwart te kunnen blijven spelen. De eerste zwarte bands speelden marsmuziek na die zij op geheel eigen wijze interpreteerden daar ze niet het notenschrift vaardig waren. Al gauw werd deze gesyncopeerd en vormde deze muziek een van de voorlopers van de Jazz.
De meeste Chicagoans hadden geen hoog spelniveau en de Chicago-muziek klinkt dan ook hoekig en als een slap aftreksel van de New Orleans Jazz. Andere muzikanten uit Chicago hadden wel een gedegen klassieke muziekopleiding gevolgd ( zoals bijvoorbeeld klarinettist Benny Goodman {1909-1986} ), waarna ze er toe over gingen om Jazz te gaan spelen. Binnen hun eigen blanke gemeenschap werden zij min of meer als paria’s behandeld, terwijl juist de zwarte New Orleans–muzikanten als helden binnen hun gemeenschap vereerd werden. Goodman was ook een van de eerste die een gemengde band had, bestaande uit zowel blanke ( Goodman en drummer Gene Krupa ) als zwarte muzikanten ( pianist Teddy Wilson en vibrafonist Lionel Hampton ), en hij was het die als eerste in de tempel van de Klassieke muziek, de Carnegiehall in New York, Jazz speelde (1938). Goodman verkreeg al gauw de titel “King of Swing”.