%abc-2.2
%%writefields Q false

%%stretchlast 1

%%beginps
/caret{2 copy M -2 8 RM 2 3 RL 2 -3 RL stroke
        /Helvetica 8 selectfont M -2 1 RM show}!
%%endps
%%deco c1 3 caret 10 3 3 1
%%deco c2 3 caret 10 3 3 2
%%deco c3 3 caret 10 3 3 3
%%deco c4 3 caret 10 3 3 4
%%deco c5 3 caret 10 3 3 5
%%deco c6 3 caret 10 3 3 6
%%deco c7 3 caret 10 3 3 7
%%deco c8 3 caret 10 3 3 8

 

Tonaliteit

Bij tonaliteit denken we aan majeur en mineur. Het uitgangspunt van het tonaliteit is dat er vanuit een welbepaald tooncentrum (tonica) vaste relaties tussen toonhoogtes bestaan. Hierdoor kan de luisteraar zich oriënteren en min of meer verwachten wat hij te horen krijgt. We bestuderen de eigenschappen van majeur en mineur.

1. De toonladder van C groot.

Door het logische verband binnen een zin weten wij of er 'kántelen' staat of 'kantélen'. Zoiets geldt ook voor de tonen van een melodie: tonen staan in een bepaalde (spanningsvolle) verhouding tot elkaar en hebben bepaalde (spannings-)functies. De toon die het middelpunt, het eindpunt en het rustpunt van een melodie vormt, heet tonica ofwel grondtoon. De verhoudingen van de overige tonen van een melodie tot deze grondtoon wordt samengevat in het begrip toonsoort.

 

X:1
%T:
M:2/4
L:1/4
%%MIDI program 79
Q:1/1=72
K:C clef=treble
c2 | B A/B/ | c G E !breath!C | c G | A G A B | c G E !breath!C | F G | E F | D G | (E !breath!C) | F G | E F | D G | C2 | 

 

De tonica van bovenstaande melodie is c. Toon e is de volgende toon die het lied 'kleur' geeft. De relatie tussen toon c en e is een grote terts. Daarom is de toonsoort van dit lied: C grote terts (C groot of C majeur; n.b. i.v.m. de grote terts wordt altijd een grote letter gebruikt).

Als we alle tonen van het lied trapsgewijs rangschikken, dan zien we de volgende reeks:

 

X:1
%T:
M:none
L:1/4
%%MIDI program 79
Q:1/1=72
K:C clef=treble
C D E F G A B c

 

Deze tonen vormen onze bekende stamtonenreeks (met zijn halve en hele toonsafstanden). Toon c is zowel begin- als eindpunt en de relatie van derde toon tot de grondtoon is een grote terts . We noemen deze reeks: toonladder van C groot.

Onthoud goed dat de plaats van de halve en hele toonsafstanden het karakter van de toonladder bepaalt.

Er is een verschil tussen 'stamtonenreeks' en 'toonladder van c-groot': in het eerste geval is niet duidelijk welke toon grondtoon is; in het tweede geval wel!

Naast tonica spelen ook de dominant en de leidtoon een rol in het hoorbaar maken van een toonsoort: de dominant is de quint boven de grondtoon (toon g in c- groot) en de leidtoon is de kleine secunde onder de grondtoon (toon b in c-groot). Zie bovenstaande afbeelding. Bij het horen van de leidtoon verwacht je de tonica, de leidtoon leidt als het ware naar de grondtoon. Voorbeeld van de werking zo'n leidtoon zie je in het slot van de volgende zin:

 

X:1
%T:
M:2/4
L:1/4
%%MIDI program 79
Q:1/1=72
K:C clef=treble
c c/c/ | c A/d/ | c B | c2 |]

 

Tijdens de cursus muziekschrijven gebruiken we de zogenaamde caret notatie om de positie van tonen binnen een toonvoorraad aan te geven.

 

X:1
%T:
M:none
L:1/4
%%MIDI program 79
Q:1/1=72
K:C clef=treble
"1"C "2"D "3"E "4"F "5"G "6"A "7"B 

 

We zeggen dan: 'dakje 1, dakje 2, dakje 3 etc.' wat hetzelfde is als 'de eerste toon, de tweede toon, de derde toon etc' van de toonvoorraad.

2. Kleine terts-toonladders.

Componisten schreven vanaf de 17e tot en met de 19e eeuw hun werken of in majeur of in mineur. De kleine terts- of mineurtoonsoort heeft in de stamtonenreeks toon A als grondtoon en wordt dan de toonsoort a-kleine terts, a-klein of a mineur genoemd (i.v.m. de kleine terts wordt altijd een kleine letter gebruikt), weer naar aanleiding van het interval tussen de 1e en 3e toon.

Majeur en mineur worden de toongeslachten genoemd.

We kunnen de tonen van de toonsoort a-klein weer rangschikken in de vorm van een toonladder.

 

X:1
%T:
M:none
L:1/1
%%MIDI program 79
Q:1/1=72
K:C clef=treble
"A aeolisch"A "1"x B "1/2"x c "1"x d "1"x e "1/2"x f "1"x g "1"x a

 

Dit is de natuurlijke kleine terts-toonladder, ook wel Aeolische toonladder genoemd. Al in de 16e eeuw echter werd het een gebruik de grondtoon via een kleine ondersecunde -via een leidtoon dus- te bereiken. De 7e toon werd daarom verhoogd. De toonladder die hiervan het resultaat is, noemen we de harmonische kleine tertstoonladder.

 

X:1
%T:
M:none
L:1/1
%%MIDI program 79
Q:1/1=72
K:C clef=treble
"A harmonisch"A "1"x B "1/2 "x c "1"x d "1"x e "1/2"x f "1 1/2"x ^g "1/2"x a

 

Een opvallend kenmerk van de harmonisch kleine tertstoonladder is de anderhalve toonsafstand tussen de 6e de 7e toon: een overmatige secunde.

De overmatige secunde was (en is) lastig zingbaar. Zo'n onmelodisch interval moest in melodieën eigenlijk worden vermeden. Gevolg was in een melodie in de mineurtoonsoort bij een combinatie van  de 6e en de 7e toon (de leidtoon) de 6e toon werd verhoogd (N.B. het verschil tussen A-majeur en a-mineur zit nu slechts in de terts!).

Meestal gebeurde het verhogen van de 6e toon in stijgende richting. De kleine tertstoonladder met verhoogde 6e en 7e toon heet daarom de melodisch stijgende kleine terts-toonladder (wat niet inhoudt dat een verhoogde 6e en 7e toon in dalende richting niet zou voorkomen!). De natuurlijke 7e toon (in ons geval de toon g) komt in de muziek van de 18e en 19e eeuw vrijwel uitsluitend in dalende bewegingen voor. De natuurlijke kleine terts-toonladder, dalend genoteerd, noemt men daarom ook de melodisch dalende mineur-toonladder.

 

X:1
%T:
M:none
L:1/1
%%MIDI program 79
Q:1/1=72
K:C clef=treble
"A melodisch"A B c d e ^f ^g a | a =g =f e d c B A ||

 

Of de 7e en eventueel de 6e toon verhoogd worden, hangt af van de muzikale context af. Deze verhogingen zijn dus min of meer 'toevallig', en worden daarom niet bij de sleutel genoteerd. De verschillende vormen van de mineurtoonladder worden door elkaar gebruikt. Het heeft geen zin om te zeggen dat een compositie "in harmonisch mineur" staat; de toonsoort is dan gewoon mineur.

3. Naamgeving van de laddertonen

De zeven laddertonen hebben elk een eigen naam die naar een bepaalde kwaliteit en functie verwijst. Deze namen zijn nuttig om melodische progressies te karakteriseren en om een brug te slaan naar harmonische fenomenen:

  • tonica: toon 1, prime (eerste), grondtoon of tonica,
  • supertonica: toon 2, secunde (tweede) of supertonica (= boven de tonica),
  • mediant: toon 3, terts of mediant (= middelste toon tussen tonica en dominant),
  • subdominant: toon 4, kwart of subdominant (= toon onder de dominant),
  • dominant: toon 5, kwint of dominant (= overheersende toon die naar de tonica streeft),
  • submediant: toon 6, sext of submediant (= middelste toon tussen subdominant en tonica),
  • leidtoon: toon 7, septiem of leidtoon (deze wijst onmiddellijk naar, en wil gevolgd worden door de tonicatoon). NB: In natuurlijk mineur is deze toon geen leidtoon.