1. Notatie van de toonhoogte: notenbalk, sleutels en systeem.
Zoals gezegd, toonhoogte wordt vastgelegd via bepaalde schrifttekens: noten. Dit zijn open en dichte, ovale tekens (al dan niet voorzien van een notenstok) die worden geplaatst op een systeem van vijf lijnen: de notenbalk. De vijf lijnen van de notenbalk worden altijd genummerd van onder naar boven: lijn 1 is de onderste lijn en lijn 5 de bovenste.
Op, onder en tussen de lijnen kunnen in totaal elf stamtonen genoteerd worden:
%%stretchlast 1 X:1 M:none L:1/1 K:C clef=none D E F G A B c d e f g w: 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11
De omvang van de notenbalk kan nog worden uitgebreid door middel van hulplijnen (zie Specials).
Welke stamtoon in het voorgaande notenvoorbeeld bedoeld is, valt nog niet te bepalen. Daartoe is een sleutel nodig, die aan het begin van iedere notenbalk genoteerd wordt. Er zijn drie sleutels:
%%stretchlast 1 %%titleleft 1 X:1 T:G sleutel: M:none L:1/4 K:C stafflines=0 %%staffnonote 2 [K:clef=treble] x X:1 T:F sleutel: M:none L:1/4 K:C stafflines=0 %%staffnonote 2 [K:clef=bass] x X:1 T:C sleutel: M:none L:1/4 K:C stafflines=0 %%staffnonote 2 [K:clef=alto] x
De sleutels geven aan, op welke lijn respectievelijk de tonen g, f of c liggen; de plaatsen van de andere tonen kunnen dan worden afgeleid.
%%stretchlast 1 X:1 M:none L:1/1 K:C [K:clef=treble] G [K:clef=bass] F, [K:clef=alto] C [K:clef=tenor] C || w: G F C(~altsleutel) C~(tenorsleutel)
De vraag is natuurlijk wel: welke g, welke f en welke c worden aangegeven? Daarop gaan we in het volgende hoofdstuk in.
Meestal worden voor de muzieknotatie viool- en bassleutel gebruikt. In een enkel geval wordt daarvan afgeweken: zie onderstaand overzicht.
| Vioolsleutel: | voor partijen voor hoge stemmen en instrumenten (sopraan- of altstem, fluit, viool, klarinet, hobo) |
| Altsleutel: | voor altvioolpartijen (voor hoge noten soms de vioolsleutel) |
| Tenorsleutel: | voor hoge liggingen in cello- fagot- en trombone-partijen. |
| Bassleutel: | voor partijen van lage stemmen en instrumenten. |
2. Andere betekenis sleutels
Soms betekenen sleutels iets anders:
1. Gitaarpartijen en tenorpartijen in koormuziek staan altijd in de vioolsleutel, maar klinken een octaaf lager dan normaal. Dikwijls wordt dan ook onder aan de sleutel een 8 toegevoegd: 'octaverende vioolsleutel').
%%stretchlast 0 X:1 T: M:none L:1/4 K:C %%staffnonote 2 [K:clef=treble-8] x
2. Voor zeer hoge instrumenten, zoals sopraanblokfluit en piccolo, wordt de vioolsleutel gebruikt; de partij klinkt dan echter een octaaf hoger dan normaal.
3. Zeer lage instrumenten, zoals de contrabas, klinken een octaaf lager dan de notatie in de bassleutel aangeeft.
Bij enkele instrumenten verschillen klank en notatie niet slechts een octaaf (zie Specials)
3. Systeem
Meestal voldoen de vijf lijnen van de notenbalk niet. Het is dan ook dikwijls nodig om bij de notatie meer dan één notenbalk te gebruiken, van twee voor pianomuziek tot soms meer dan 50 voor een groot orkest. Een dergelijke combinatie van notenbalken heet een systeem.
%%stretchlast 0
X:1
T:systeem voor pianomuziek
%C:composer
M:none
L:1/1
V:1 clef=treble
V:2 clef=bass
%%staves {1 2}
K:C
V:1
%%staffnonote 2
x
V:2
%%staffnonote 2
x
X:1
T:systeem voor muziek voor strijkkwartet
%C:composer
M:none
L:1/1
V:1 clef=treble
V:2 clef=treble
V:3 clef=alto
V:4 clef=bass
%%staves [1 2 3 4]
K:C
V:1
%%staffnonote 2
x
V:2
%%staffnonote 2
x
V:3
%%staffnonote 2
x
V:4
%%staffnonote 2
x