Inleiding: tonen
1.1 Tonen en hun verschillen.
Geluid is een trillingsverschijnsel. We horen een toon, omdat een snaar van een piano of viool, de luchtkolom in een blaasinstrument, het gespannen vel van een trom of onze stembanden in trilling worden gebracht. De trillingen delen zich mee aan de omringende lucht, worden voortgeplant en bereiken onze oren. Een toon is dus niets anders dan trilling van lucht.
Tonen zijn van elkaar te onderscheiden door hoogte, sterkte, duur en kleur.
1.2 Toonhoogte
Toonhoogte is uit te drukken in het aantal trillingen per seconde (het aantal trillingen van een bepaalde toon a is 440 trillingen per seconde = 440 Hertz; of anders gezegd: een bepaalde toon a heeft trillingsgetal 440). Daarbij geldt: hoe hoger het aantal trillingen per seconde des te hoger de toon.
Tonen kunnen we dus op toonhoogte van elkaar onderscheiden via hun trillingsgetallen. In dit verband is het handig gebruik te maken van het begrip interval: de afstand tussen twee tonen; of nog beter gezegd: de relatie tussen twee tonen.
De meest elementaire intervallen zijn prime en octaaf.
- De prime duidt op twee tonen van dezelfde toonhoogte; deze tonen hebben dus hetzelfde trillingsgetal.
- Wanneer de trillingsgetallen van twee tonen zich verhouden als 1:2 (bijv. tonen van 440 en 880 trillingen per seconde) dan hebben deze tonen een octaafrelatie.
Ons gehoor ervaart tonen in een octaafrelatie min of meer als elkaars herhaling; wanneer deze tonen tegelijk klinken, is het lastig om ze nauwkeurig van elkaar te onderscheiden.
Ons toonsysteem is gebaseerd op het octaaf en op de verdeling van het octaaf in een aantal gebieden (zie de eerstvolgende hoofdstukken).
Toonhoogte wordt vastgelegd via bepaalde schrifttekens: noten.
1.3 Toonsterkte
De toonsterkte is afhankelijk van de grootte van de trillingsomvang (amplitude).
Sla een snaar krachtig aan en laat deze uittrillen. Je ziet dat de snaar steeds minder sterk trilt en de sterkte van de toon in gelijke mate afneemt.
De toonsterkte wordt via afkortingen van Italiaanse muziektermen weergegeven.
| ppp (pianississimo, pianissimo possible): | uiterst zacht |
| pp (pianissimo): | zeer zacht |
| p (piano): | zacht |
| mp (mezzo piano): | minder zacht |
| mf (mezzo forte): | half sterk |
| f (forte): | sterk |
| ff (fortissimo): | zeer sterk |
| fff (fortissisimo, fortissimo possible): | uiterst sterk |
Soms zie je ook nog pppp en ffff. Bovengenoemde aanduidingen kunnen nog genuanceerd worden via toevoegingen als poco, più, meno, molto.
1.4 Toonduur
Tonen verschillen van elkaar in lengte: je hebt korte en lange tonen. Toonduur wordt evenals toonhoogte vastgelegd via bepaalde schrifttekens: noten.
1.5 Klankkleur
De klankkleur -ook wel timbre genoemd- wordt bepaald door het instrument dat de tonen voortbrengt: een toon a klinkt op een viool anders dan op een trompet.
Maar er is nog iets: sla je bv. op de piano de toets C aan, dan hoor je niet alleen toon C maar ook allerlei bijtonen (de zogenaamde boventonen). Dit verschijnsel heet resonantie. De tonen die resoneren op een bepaalde toon bepalen het timbre van deze toon. Welke tonen meeklinken en in welke mate hangt af onder meer van de bouw en het materiaal van het instrument. Op het onderwerp boventonen komen we later terug.